Dinsdag 23 november
Dit is de dag van de safari en van het opruimen en inpakken. Bij de put is een vrouw met een kindje op de rug, volgens mij een heel praktische draagwijze.
Ook nemen we een groepsfoto.
Maarten vertrekt al vroeg.
En dan gaan Raymund en ik op het bankje langs de kant van de weg zitten. We praten nog wat na over gistermiddag. Voor Raymund is het geen probleem om met een lokale auto naar Dakar te gaan. Er loopt een vrouw met een kindje op de rug voorbij. En er speelt een jongetje met een kartonnen doosje, dat zijn vrachtauto voorstelt. Zelf gemaakt. Als je niets hebt, dan moet je wel inventief zijn.
Slechts tien minuten te laat komt de truck ons ophalen. Het is een 4x4 met drie rijen bankjes en een zonneluifel. De meneer gaat niet mee. Het is immers een aardigheidje voor de genisten om de succesvolle afronding van het project te vieren.
Met hoge snelheid zitten we in de volle rijwind. De mannen hebben er zin in; eentje heeft z’n machète bij zich.
Bij de toegang van het park schiet het allemaal niet op. Eerst moet ik me melden, dan duurt het lang voordat er een bon uitgeschreven wordt. Vervolgens moet ik omlopen naar een loket met een luikje. Daar moet ik CFA 135.000 betalen. Daarvoor krijg ik een stapeltje tickets die langzaam uit een boekje gescheurd worden en vervolgens aan elkaar geniet worden. Dat stapeltje wordt aan iemand anders gegeven achterlangs het loket. Die persoon stempelt ze allemaal dubbel, en dan krijg ik ze terug. Ik moet ze vooral niet kwijtraken, wordt me nog gezegd.
Pas na dik een kwartier komt een andere chauffeur, met een Engels sprekende gids, en een jonge vrouw. Eindelijk rijden we het park in: hotseklotsend op een smalle zandweg tussen hoog olifantengras rijden we zo 20 minuten. Best aardig - geen beest te zien. Dan zijn we op een open plek en zien we twee neushoorns. Geweldig! Ze krijgen wat voer, zodat ze lekker dichtbij zijn en wij ze goed kunnen fotograferen. Twee zwijntjes komen erbij. Echt stikleuk, we blijven er best lang. Er zitten veel insecten, dus de mouwen omlaag en DEET smeren.
Nu gaan we op zoek naar giraffen. Het zicht is beperkt tot zo’n 10 tot 20 meter vanwege het hoge gras. We rijden veel, maar zien niets. De gids stapt uit om te zoeken. Wij stappen ook uit. Er zijn veel vlinders, die ik probeer te fotograferen. Dat valt niet mee want ze fladderen voortdurend.
Geen giraffes - we rijden weer. Bij een vijvertje zien we krokodilletjes, die snel het water inlopen. We stoppen nog een keer en de gids gaat zoeken. Met de machète wordt naar grashalmen geslagen. Iedereen heeft het goed naar z’n zin. De giraffes zien we uiteindelijk niet, maar niemand die dat erg vond. En we zien in een flits de elanden waarom het park zo beroemd is; ze lopen gelijk de bush in, ik heb er geen foto van kunnen nemen.
Pas tegen twaalven zijn we weer terug bij de entree. Er is een klein dierenparkje met hyena’s. Om het hoekje zitten schildpadden. Er is geen horeca. Dan rijden we terug. De rijwind is gewoon heet. We hebben een leuke ochtend gehad.
Alle gereedschappen worden secuur schoongemaakt, de smo geeft er leiding aan. Alles wordt ingepakt, de container wordt netjes gestouwd. Dat is ook wel nodig want er wordt nogal mee gesleept en dan gaat verre van horizontaal.
Onze buitendouche wordt ook afgebroken. Dat is niet erg, want we kunnen nu gebruik maken van de nieuwe douche naast het consultatiegebouw. Het is wel prettig dat het wastafeltje blijft staan. Ik heb daar nog dulle foto’s van mezelf genomen. Ik sta me te scheren voor de spiegel.
Ik verbaas me er een beetje over dat mij niet gevraagd wordt of ik nog spullen kan gebruiken voor de lokale bouw. Echt alles gaat mee. Van gereedschappen kan ik me dat nog voorstellen, maar ook aangebroken doosjes spijkers worden ingepakt. Spijtig. Voor ons heeft het amper waarde, en hier in Senegal zouden ze er wat maar blij mee zijn. Ik begin er niet over met de smo. Tijdens de safari heb ik een paar vriendelijke woorden tegen ‘m gezegd en kreeg geen respons.
Ik zet m’n plunjebaal bij de container. Die ga ik over een paar weken wel in Schaarsbergen op de kazerne halen. Raymund had extra rantsoenen voor hem en mij meegenomen voor de komende vijf dagen. Dat is geen probleem. Maar ik zou toch wel graag voldoende drinkwater willen hebben. Ik vraag het aan de luitenant, die daar gelijk voor zorgt. Ik zeg nog tegen ‘m dat-ie niet te veel moet achterlaten ‘houd er rekening mee dat je vertraging kunt oplopen als je morgen naar het CSS gaat.’ Ben ik nu te slecht van vertrouwen geweest?
Uit de rantsoenen is van alles en nog wat over: druivesuiker, kauwgom, een heleboel jam en paté, lucifers in overvloed, papieren zakdoekjes. Noem maar op. Al dat spul hebben we bewaard. Als we dat direct waren gaan weggeven, was iedereen er om komen vragen. Afgesproken wordt dat Raymund en ik dat aan Awa geven op zondag, bij het vertrek. Twee soldaten helpen mee om alle water en dozen te versjouwen naar het bijgebouwtje bij de woning, waar wij slapen.
Bij het opknappen van de woning van Awa hadden we afspraken gemaakt over een deur. Alleen is het aan m’n aandacht ontsnapt en komt ze erop terug. Omdat er toch nog een paar dingetjes gekocht moeten worden, kan ik gelijk even voor een deur kijken. Na wat zoeken komen we in een timmerwerkplaats, waar een prachtige harthouten deur staat. Verdorie, ik heb de kozijnmaten niet opgenomen en de scharnieren zitten op de verkeerde hoogte. En zou Awa ‘m wel mooi vinden? Ik neem een foto. Eerst bespreken en morgen terug. In de werkplaats is zelfs elektrisch gereedschap. Je hebt hier heel wat vaklui.
Raymund wil honing kopen. We vragen het in wel vijf winkeltjes met levensbenodigdheden, maar nergens te krijgen. Ik kan wel een blikje koude Fanta voor de chauffeur kopen. Het is de korporaal; hij is gewoon dankbaar voor zo’n lullig blikje.
Als we terug zijn, is de vaccinatie tegen de mazelen in volle gang. De meeste kinderen geven geen kik bij de prik.
We eten een laatste keer gezamenlijk. Raymund heeft z’n brandertje vergeten van boord mee te nemen. Daarom kook ik voor hem. Ik heb er alle tijd voor. Terwijl wij eten, werken de lokale arbeiders door, echt totdat het donker is. Ik ben er een beetje weemoedig onder. De mannen vertrekken morgen. We hebben een mooie tijd gehad. Flinke kerels zijn het. Eerst Afghanistan en nu schilderen en timmeren in Senegal. Een van de soldaten zwaait binnenkort af. Hij heeft goede plannen voor z’n toekomst. In de burgermaatschappij gaat hij, denk ik, toch het militaire leven af en toe missen. ‘Denk ‘ns aan de Natres, je kunt zo bij de Nationale Reserve met jouw ervaring’, geef ik ‘m nog mee.
We hebben een mooie dag achter de rug. Wie kan er nu zo maar op safari? En nu lekker op m’n veldbedje in m’n klamboe kijken naar de sterren en luisteren. Perfect toch?
